Kenia Informatie
Geografie Historie Bevolking Cultuur Klimaat Natuur
Wereldbol Index Kenia en Tanzania
Wereldbol Informatie Tanzania
Wereldbol Kaart Kenia en Tanzania
Wereldbol Reisverslag Kenia en Tanzania
Wereldbol Fotoalbum Kenia
Wereldbol Fotoalbum Tanzania
Wereldbol Links
Kenia is vooral een natuurrijk land met prachtige natuurparken en schitterende landschappen. Verder kent het een grote diversiteit aan culturen door de meer dan veertig verschillende etnische groepen. De hier door mij gegeven informatie moet je zien als algemene-informatie, over Kenia. Deze kun je gebruiken als achtergrond informatie mocht je Kenia (ooit) gaan bezoeken.

Geografie:

Kenia (officieel: Jamhuri ya Kenya) ligt op de evenaar, is een presidentiële republiek in Oost-Afrika en lid van het Gemenebest van Naties en het is sinds 12 december 1963 onafhankelijk. Kenia heeft ruim 39 miljoen inwoners (2009) en een oppervlakte van 582.646 km2. Het het is daarmee 14x zo groot als Nederland. De 3 grootste steden van Kenia zijn: Nairobi (tevens de hoofdstad), Mombasa en Kisumu. Kenia grenst in het noorden aan Ethiopië (830 km) en Soedan (232 km) en in het oosten aan Somalië (682 km) en de Indische Oceaan. In het westen grenst het aan Oeganda (933 km) en het Victoriameer en in het zuiden aan Tanzania (769 km). Twee rivieren in Kenia zijn het hele jaar door bevaarbaar: de Tana en de Galana. De Galana ontspringt bij de Kilimanjaro in Tanzania en mondt bij Malindi uit in de Indische Oceaan. De Tana ontspringt in het hooggebergte ten noorden van Nairobi en stroomt vervolgens in een grote boog door Oost-Kenia. De meeste andere rivieren staan een deel van het jaar droog.

Het landschap van Kenia is zeer gevarieerd. Het loopt van de lage kust tot een hoogte van meer dan 3.000 meter in het binnenland. De hoogste berg is Mount Kenia met 5199 meter. Kenia kan verdeeld worden in 4 geologische delen:

  • 1. Great Rift Valley & Central Highlands (midden en zuiden): De Great Rift Valley is een diepe scheur in de aardkorst die in Kenia loopt van Lake Turkana in het noorden tot Lake Natron aan de grens met Tanzania in het zuiden. De Great Rift Valley is ontstaan door een breuk in de aardkost en is het meest veelzijdige gebied van Kenia. Het bestaat uit woestijn, meren, slapende vulkanen, bergen en moerassen. Het is tevens het meest vruchtbare gebied van Kenia. In de hooglanden zijn 3 gebergtes namelijk Mount Kenya (5199 meter hoog), Aberdares en het Mau Escarpment.
  • 2. Woestijn in Noord en Noord-Oost Kenia: Het noordelijk gedeelte bestaat voornamelijk uit (semi) woestijn. Het is er heet, stoffig, droog en dunbevolkt. Hier leven voornamelijk Nomaden met hun kamelen, runderen, schapen en geiten. De enige, zeer ruige, woestijn van Kenia is de Chalbi woestijn.
  • 3. Westelijk provincie: De Westelijke provincie is ook zeer vruchtbaar. Het hoogste punt is de top van Mount Elgon op de grens met Oeganda. Het grenst gedeeltelijk aan Lake Victoria en bezit nog een stuk tropisch regenwoud namelijk: Kakamega Forest. Rond Lake Victoria is het landschap zacht glooiend. Er is zeer weinig toerisme en de bevolking leeft voornamelijk van de visserij.
  • 4. De kust: Het kustgebied is het laagst gelegen gedeelte van Kenia. De kustlijn bestaat uit mangroven, brede palmstranden, rotsen, kliffen en kreken. Voor de kust liggen talrijke koraaleilanden. De belangrijkste inkomstenbron aan de kust is toerisme. Er vindt wel landbouw plaats maar vooral voor eigen gebruik of om te verkopen aan de toeristen (mango’s, citrusvruchten). Het kustgebied loopt door tot de hoger gelegen bergketen Taita Hills in het zuidwesten met een hoogte van 600 m oplopend tot 2.200 m. Hier wordt het landschap droger en is dan ook minder groen.

De economie is moderner dan die van de andere Oost-Afrikaanse landen. Ondanks dat circa 76% van de beroepsbevolking in 1993 werkzaam was in de landbouw was de bijdrage van deze sector aan het bruto nationaal product (bnp) echter slechts 30%. Toch is de landbouw de belangrijkste deviezenbron (de helft van de export bestaat uit landbouwproducten, m.n. koffie, thee, sisal, tarwe, suiker, ananas en katoen), gevolgd door het snel groeiende toerisme. Industrie en handel berusten vooral op particulier ondernemerschap. Een handicap voor de Keniaanse economische ontwikkeling vormt het gebrek aan delfstoffen en energiebronnen, zoals aardolie, aardgas en steenkool. De mijnbouw is daarom van beperkt belang (de bijdrage aan bnp was in 1992 maar 2%). Van de gedolven mineralen is soda-as het belangrijkst. Verdere delfstoffen zijn kalk(steen), zout, een soort mica (vermiculiet), koper, goud, zilver, robijnen en asbest.

De bevolkingsdichtheid is ongeveer 52 inwoners per km2. De ruimtelijke spreiding van de bevolking is zeer ongelijk: circa driekwart van de bevolking is geconcentreerd op 10% van de totale landoppervlakte. De dichtstbevolkte gebieden zijn het zuiden en het zuidwesten en de kuststrook langs de Indische Oceaan. Grote gebieden van Kenia zijn praktisch leeg. Ongeveer driekwart van Kenia heeft een bevolkingsdichtheid van minder dan 10 inwoners per km2. Slechts 28% van de bevolking woonde in 1995 in steden van meer dan 2000 inwoners.

Historie:

Naar boven

Volgens de laatste inzichten is Oostelijk Afrika het oorsprongsgebied van de moderne mens wat onder andere blijkt uit vondsten die in Kenia gedaan zijn. De oudste resten van de eerste menselijke voorouders die hier hebben geleefd dateren van ongeveer 2 miljoen jaar geleden. Van de "moderne" mensensoort zijn resten van 30.000 jaar oud gevonden. Dit waren jagers die voornamelijk leefden op de savannen. Uit de gevonden overblijfselen van deze mensen is wel duidelijk dat er altijd veel rondgetrokken werd door Kenia. De eerste bewoners waren de uit Ethiopië afkomstige Cushitics, een nomadenvolk op zoek naar vruchtbare grond. In de loop van de eeuwen, door de verdroging van Kenia, is deze bevolkingsgroep weer uit het land verdwenen. In de eerste eeuwen van onze jaartelling kwamen Bantoevolken uit het westen en noorden naar Kenia, gevolgd door herdersstammen als de Masaï uit het stroomgebied van de Nijl. Terwijl in het binnenland telkens bevolkingsgroepen kwamen en gingen, heeft de kuststreek een heel andere historie. Uit oude documenten die informatie geven over de geschiedenis van Kenia, is alleen informatie terug te vinden over de ontwikkeling van het kustgebied, waar een levendige handel met de Arabieren plaatsvond. Vanaf de 8ste eeuw vestigden zich Arabieren langs het hele kustgebied van Oost-Afrika. Daar ontstonden nederzettingen waar levendige handel werd gedreven met Arabië, Perzië en Indië. De lokale bevolking werd bekeerd tot de Islam en sommige bezoekers bleven in Kenia en werden zo, samen met de oorspronkelijke bewoners, de grondleggers van de Swahili-cultuur.  In 1498 werd voor de eerste keer door Portugezen voet aan land gezet bij Mombasa. Pas een eeuw later slaagden zij erin om de stad te bezetten. De Portugezen maakten van Mombasa hun belangrijkste handelspost en controleerden twee eeuwen lang de Oost-Afrikaanse kust. Het leven onder de Portugezen was hard en toen de Arabieren er in 1720 in slaagden om de Portugezen tot overgave te dwingen, werd ieder aandenken aan hun verblijf vernietigd. Aan het einde van de 18e eeuw begon de inmenging van Oman met Kenia. Tijdens deze periode zakte de handel enigszins in, wat ook verklaart waarom de grote Europese machten dit gedeelte van Afrika nog zo lang met rust lieten. Aan het einde van de 19e eeuw werd het binnenland van Kenia overspoeld met Engelsen die op zoek waren naar vruchtbare grond. Het leefterrein van de Masaï werd hierdoor steeds kleiner. De overheersing door de Engelsen bracht uiteindelijk ook wel (vooral economische) voordelen met zich mee, maar toch ontstond in de 20e eeuw de roep naar een vrij land.

Sinds 1885 trachtte zowel Verenigd Koninkrijk als Duitsland in dit deel van Afrika, dat sinds 1837 aan de sultan van Zanzibar was onderworpen, vaste voet te krijgen. In 1886 kwamen zij overeen om het gebied te verdelen in een Duits gebied (Tanganyika: het huidige vasteland van Tanzania, Rwanda en Burundi) en een Brits gebied (Kenia, Oeganda en Zanzibar). De sultan mocht een smalle kuststrook houden, onder Brits protectoraat. In mei 1887 had de British East Africa Company eerst Mombasa en in augustus 1889 de gehele kust van de sultan van Zanzibar gepacht. Volgens een verdrag uit 1895 werd het bestuur van deze gebieden overgedragen aan Britse ambtenaren, met behoud van de vlag en de soevereiniteit van de sultan. In het sultanaat Witu (langs de kust tussen Kipini en Kwyhu) werd de vroegere opperbevelhebber der Witu-troepen, Omar ben Hamed, als soeverein aangesteld. Een Brits ambtenaar stond hem als resident ter zijde. Om een directe verbinding te hebben met het vruchtbare land rond het Victoriameer, begonnen de Britten in 1895 met de aanleg van een spoorlijn van Mombasa naar Kisumu.

Op 1 april 1905 kwam Brits Oost-Afrika (East Africa Protectorate) onder het Britse ministerie van Koloniën en werd het een kolonie. In 1906 kreeg het een gouverneur, tevens opperbevelhebber, en een Uitvoerende en een Wetgevende Raad. Rond die tijd ontstond Nairobi, dat in 1907 de hoofdstad werd van het Britse protectoraat. Na de Eerste Wereldoorlog verloren de Duitsers hun gebied in Oost-Afrika. Tanzania kwam onder Brits bestuur en in Kenia namen de Britten land in bezit om thee- en koffieplantages te beginnen. Op 23 juli 1920 werd het land een kroonkolonie en kreeg het de naam Kenia. In 1925 werd het gebied in het noorden bij de rivier de Juba aan Italië afgestaan (bij verdrag van 1924).  Tijdens het verdelen van de landgoederen kregen de Engelsen uiteraard de beste stukken grond en de lokale stammen kwamen dan ook in verzet. Het hardst getroffen werd de Kikuyu-stam die zich vanaf die tijd ook politiek begon te roeren. In 1925 richtten ze de Kikuyu Central Association (onder leiding van Jomo Kenyatta.) op. Haar doel was de herovering van grond die in de handen van de blanke kolonisten was geraakt.  Ze streefde naar meer zelfstandigheid voor de Afrikanen in Kenia. Aanvankelijk stelde de KCA zich Kenia voor als een land met zelfbestuur binnen het Britse rijk, maar al gauw werden de ideeën radicaler.

Kenia raakte rechtstreeks betrokken bij de Tweede Wereldoorlog, omdat het noordelijke buurland Ethiopië bezet werd door fascistisch Italië. De Britten voerden vanuit Kenia aanvallen uit op Ethiopië, waaraan ook veel Kenianen deelnamen. Uiteindelijk werden de Italianen verdreven en kwam de Ethiopische keizer Haile Selassie weer op de troon. Na de Tweede Wereldoorlog laaide het conflict tussen de Kikuyu’s en de kolonisten weer op. Een deel van de Kikuyu’s had in Ethiopië en andere oorlogsfronten ruime ervaring opgedaan in moderne oorlogvoering. Vanaf 1946 ageerde een beweging die op de Kikuyustam steunde, de Kenya African Union, voor onafhankelijkheid. Toen deze niet werd toegestaan, geraakte het land onder de invloed van de Mau Mau, een geheim genootschap dat onder andere toverij aanwendde om de blanke regering uit te schakelen. In 1952 begon deze Mau Mau-beweging een felle guerrillaoorlog tegen de Britten, die daarop de noodtoestand uitriepen. Gevangen genomen Kikuyu’s werden ondergebracht in afgesloten dorpen en in 1953 werd de vermeende leider van de beweging – Jomo Kenyatta – gevangen genomen. Hij werd zes jaar later vrijgelaten uit de gevangenis, maar zou nog tot 1962 onder huisarrest blijven. De Britten zagen in dat er een oplossing moest komen voor het conflict. Acht jaar na het uitbreken van de opstand en 13.000 doden onder de Kikuyu’s later werd in 1960 een koers naar onafhankelijkheid uitgezet.

De Kikuyu’s richtten een onafhankelijkheidspartij op, de Kenya African National Union (KANU en kozen Jomo Kenyatta tot voorzitter, hoewel hij nog onder huisarrest was geplaatst. In mei 1963 werden algemene verkiezingen gehouden, die de KANU overtuigend won. In Kenyatta’s ogen konden blanken en Afrikanen best vreedzaam naast elkaar leven, maar tegelijkertijd was het grootgrondbezit van de blanke boeren hem een doorn in het oog. Hij ontwikkelde het zogeheten "Million Acre Scheme", waarbij de blanke boeren werden onteigend ten gunste van zo’n 34.000 landloze Afrikanen. De blanken werden wel schadeloos gesteld. Het geld daarvoor kwam van de Britse regering.

Op 12 december 1964 werd Kenia een republiek met Kenyatta als eerste president, nadat de oppositiepartij (KADU) was ontbonden door haar leider, Ronald Ngala. In 1966 kwam het tot botsingen met de Indiërs, in Kenia een economisch belangrijke groep, waarvan er daarna velen emigreerden. De Aziaten controleerden het grootste deel van de handel en Kenyatta wilde de Afrikanen daarin een grotere rol laten spelen. Met de uitzetting van Aziaten verdween kennis en kapitaal, wat aanvankelijk een ongunstig effect had op de economie van Kenia. De in datzelfde jaar stichtte de wegens zijn communistische sympathieën afgezette vice-president Oginga Odinga (lid van de Luo-stam) een eigen partij, de Kenya People's Union (KPU), die in 1969 werd verboden. In 1971 sloot Odinga zich weer aan bij de regerende KANU, die zich ook voor andere ex-KPU-leden openstelde. Kenyatta, in juli 1974 uitgeroepen tot voorzitter van de KANU voor het leven, werd in september daaraanvolgend gekozen voor een nieuwe presidentiële ambtstermijn van vijf jaar. Na zijn overlijden in 1978 werd Kenyatta opgevolgd door zijn vicepresident Daniel Arap Moi (herkozen in 1983, 1988 en 1993). Die leek aanvankelijk een liberaler beleid voor te staan: hij verleende amnestie aan politieke gevangenen en verklaarde de oorlog aan corruptie. Maar al in het begin van de jaren tachtig werden tegenstanders van de regering weer opgepakt. Op 1 augustus 1982 ondernam de Keniaanse luchtmacht een poging tot staatsgreep. Die werd verijdeld en de leiders werden ter dood veroordeeld. Aan het eind van de jaren tachtig kwam hij echter, ook als gevolg van de ontwikkelingen in andere Afrikaanse landen, steeds meer in het nauw; de roep vanuit Kenia zelf, maar ook vanuit de ontwikkelingsgeld gevende Westerse landen, om de invoering van een meerpartijensysteem werd steeds luider. De landen die Kenia voorzagen van ontwikkelingshulp zetten die hulp stop in 1992. Dit was bedoeld om Arap Moi onder druk te zetten, zodat hij meer politieke vrijheden zou toestaan. Uiteindelijk besloot in december 1991 de bestuursraad van de Keniaanse Afrikaanse Nationale Unie (KANU), sinds 1964 de enig toegestane partij, onder voorzitterschap van Moi het meerpartijenstelsel in te voeren. Na een golf van etnische onlusten in 1991 en 1992 werden in december 1992 vervroegde verkiezingen gehouden, die resulteerden in een overwinning van de KANU. Er waren evenwel ernstige beschuldigingen van fraude, onder andere door onafhankelijke waarnemers. In september 1993 braken nogmaals etnische onlusten uit in het gebied van de Rift Valley. In 1995 verslechterde de relatie tussen de regering en de oppositie verder door repressieve overheidsmaatregelen. Beide partijen beschuldigden elkaar van het uitlokken van geweld en het aanzetten tot etnische twisten. In 1998 ontplofte er een zware bom bij de Amerikaanse ambassade in Nairobi. Dit had overigens niets met de binnenlandse politiek te maken. Tegelijkertijd ontplofte er een bom bij de ambassade van de VS in Dar es Salaam. Dit was het werk van een radicale islamitische terreurgroep onder leiding van Osama bin Laden.

De verkiezingen van 2002 betekenden een keerpunt in de Keniaanse politiek. De oppositie had zich eindelijk verenigd in de zogeheten regenboogcoalitie. Die werd geleid door Mwai Kibaki. Hij won de verkiezingen en de nieuwe president lijkt ernst te willen maken met het doorvoeren van economische hervormingen en het bestrijden van corruptie.

Bevolking:

Naar boven

Kenia telde in juli 2009 ongeveer 39 miljoen inwoners en daarvan vormen de Afrikanen met 96% het grootste deel. De inwoners van Kenia behoren tot ongeveer veertig verschillende etnische groepen. De belangrijkste zijn:

  • De Kikuyu (ca. 21%); zij vormen de grootste etnische groep van Kenia. Ze wonen voornamelijk op het vruchtbare land van Midden-Kenia als boeren. Het zijn niet alleen goede landbouwers, maar ook begaafde handelaars en ondernemers. Veel Kikuyu wonen in Nairobi en bekleden daar belangrijke zakelijke en politieke posities. Jomo Kenyatta, de eerste president van Kenia, was ook een Kikuyu. Subgroepen zijn Embu, Ndia en Mbeere.
  • Luo (ca. 13%); De Luo vormen de op één na grootste stam van Kenia. Ze wonen vooral in de omgeving van het Victoria-meer en in Noord- en Zuid-Nyanza en leven daar van de landbouw en de visserij. Ook zij bekleden belangrijke posities in de politiek. Bekende leiders van de Luo waren Tom Mboya en Oginga Odinga.
  • Akamba (ca. 11%); De Akamba leven ten oosten van Nairobi richting het Tsavo Nationaal Park. Honderden jaren geleden verhuisden ze hier naartoe, op zoek naar voedsel. Het waren handelaren in onder andere ivoor. Subgroepen zijn Kitui, Masaku en Mumoni.
  • Gusii (ca. 6%); De Gusii bewonen een gebied in de westelijke hooglanden ten oosten van het Victoriameer. Deze Bantoe sprekende stam leeft te midden van Nilotisch sprekende stammen. Het zijn voornamelijk veehouders.
  • Mijikenda (ca. 5%); De Mijikenda wonen tegenwoordig in de Kilifi- en Kwale-districten. Ze worden onderverdeeld in negen groepen, waaronder de Digo, Kauma, Kamba, Duruma en als bekendste stam de Giriama, die vooral bekend zijn door hun dansen en hun muziek.
  • Masaï (ca. 1,5%); De Masaï wonen in het zuiden van het land en is de beroemdste stam van Kenia. Het is nog steeds een herdersvolk, trots op hun oeroude tradities. Zo is het aantal stuks vee dat ze bezitten het belangrijkste voor hen, niet de hoeveelheid melk of vlees die de dieren opleveren. Ook het bezit van land interesseert de Masaï niet.
  • Turkana (ca. 1,3%); De Turkana wonen in Noordwest-Kenia en als echte nomaden zwerven ze nog steeds tussen het Turkana-meer en de Rift Valley langs de grens met Uganda. De Turkana bestaan uit de Nimonia die in de bosgebieden wonen, en de Nocuro die de savannes bewonen. De stammen zijn weer onderverdeeld in ongeveer 20 clans, de "ategerin". Tot de Turkana behoort ook het El Molo-volk, dat bij de volkstelling van 1979 nog maar uit 538 leden bestond en daarmee het kleinste volk van Kenia is.

De rest van de bevolking bestaat uit Arabieren, vooral afkomstig van het sultanaat Oman die zich vanaf ongeveer de 8e eeuw op de kust van Kenia vestigde, en afstammelingen van Aziatische en Europese immigranten. De oorspronkelijke bewoners, de Bosjesmannen, worden nauwelijks meer in Kenia aangetroffen. De dichtstbevolkte gebieden zijn Nairobi en het gebied ten noorden daarvan en het zuidwesten (bij het Victoriameer). Ook de kuststreek kent een hoge bevolkingsdichtheid. De streken in het noordoosten zijn vrijwel onbewoond.

De jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg tussen 1970 en 1990 gemiddeld 3, 8%, een van de hoogste groeicijfers ter wereld. Tussen 1990 en 1994 was het iets gedaald: 3,4% per jaar. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedraagt voor vrouwen circa 49 jaar en voor mannen circa 47 jaar. De bevolkingsopbouw met een groot percentage kinderen is typisch voor een ontwikkelingsland dat bovendien zwaar getroffen wordt door de ziekte aids. Het aantal inwoners tussen 0-14 jaar bedraagt 43% (Nederland 18%), tussen 15 en 64 jaar 54% (Nederland 68%) en het aantal 65-plussers bedraagt 3% (Nederland 14%). Geboorte- en sterftecijfer (2000) bedragen respectievelijk 29,35 en 14,08 per 1000 personen per jaar. Het aantal sterfgevallen in het eerste levensjaar bedraagt per 1000 levendgeborenen in 2000 bijna 69.

In 1974 werd het Engels als officiële taal vervangen door het Kiswahili, een Bantoetaal. Voordat de Arabieren in de 7e en 8e eeuw naar Kenia kwamen had elke stam zijn eigen cultuur, religie, gewoontes en taal. Er was weinig communicatie over en weer tussen stammen onderling. Toen de Arabieren arriveerden nam de communicatie tussen de stammen toe in verband met de toenemende handelsactiviteiten. Er ontstond al snel een gemeenschappelijke handelstaal. Deze taal, het Kiswahili, was een combinatie van het Bantoe en het Arabisch. Zo zijn woorden als ghali (duur) en kufikiri (piekeren) rechtstreeks aan het Arabisch ontleend. Het Kiswahili wordt precies zo uitgesproken als het wordt geschreven. Het Engels is ook nog steeds rechtsgeldig en wordt nog veelvuldig gesproken en veel overheidspublicaties zijn in het Engels gesteld. Ook in het universitair onderwijs wordt nog veel in het Engels college gegeven, geëxamineerd en geschreven. Daarnaast zijn er veel lokale dialecten met grote onderlinge verschillen. Een andere "taal" die men kan tegenkomen in Kenia is het Sheng, voornamelijk gesproken door jongeren in de grote steden. Eigenlijk is het een soort patois of volkstaal van vrij recente datum, want het stamt uit de koloniale tijd. Het is een combinatie van Kiswahili en Engels met nog wat invloeden uit het Hindi, Gujarati, Kikuyu en verschillende Keniaanse dialecten en lijkt qua klank veel op het Kiswahili. De bevolking is in taalkundig opzicht te onderscheiden in de volgende 3 hoofdgroepen:

  • Bantoe-taligen (ca. 65%), Het belangrijkste Bantoetalige volk is dat van de Kikuyu (21% van de bevolking).
  • Nilotische-talige(ca. 30%), Tot de nilotische talige behoren de Luo (13%), de nomadenvolken de Masai (1,5%) en de Turkana (1,3%).
  • Koesjitische-talige (5%). De Somali zijn het belangrijkste Koesjitische volk (5%).

Westerlingen zijn in de ogen van Kenianen maar gehaaste mensen die niet kunnen genieten van het leven. Elke Westerling zal tijdens een bezoek aan het land geregeld "pole, pole!" horen, oftewel "rustig aan, rustig aan!" Als je genoeg te eten en te drinken hebt hoef je je nergens anders druk over te maken, vindt een Keniaan. Geniet van een beetje muziek of dans, want morgen is er weer een dag.

Cultuur:

Naar boven

Elke stam heeft zijn eigen gewoontes en gebruiken. Ook muziek, dans en kleding zijn verschillend. Het is daarom onmogelijk om te spreken van dé Keniaanse cultuur.

In heel Kenia is boomba muziek populair: een mengvorm van hip hop, reggae en traditionele Afrikaanse muziek. De teksten worden meestal in Swahili of een regionale taal gezongen.

Ongeveer 78% van de Keniaanse bevolking hangt het Christelijke geloof aan, waarvan het grootste deel protestant is( 45%), 10% is Moslim en ongeveer 10% hangt nog een inheemse religie aan. Vaak worden er ook een mengeling van verschillende stroming door elkaar beleden. Veel van de ongeveer 40 etnische groepen hebben zo hun eigen tradities en gebruiken, waardoor het geloof op iedere plek weer anders beleden wordt. Bepaalde rites en tovenarij komen nog overal voor. Voorouderverering (het idee dat overleden voorouders nog steeds grote invloed hebben op ons leven) speelt echter bij vrijwel alle groepen een belangrijke rol. Via mediums, vaak medicijnmannen of stamoudsten, probeert men om met de voorouders in contact te komen en hulp te vragen. Naast een god die alles geschapen heeft kent men nog vele goede en kwade geesten en demonen. Animisme met bomen en bergen als heilige plaatsen speelt ook nog steeds een belangrijke rol. De Kikuyu-religie concentreert zich rond de oppergod Ngai, die ook bij andere volken een grote rol speelt. Van Ngai wordt gezegd dat hij op de top van Mount Kenya leeft en er worden dan ook veel offers gebracht aan de voet van de berg. Er zijn een aantal goede musea in Kenia, waar je meer achtergrondinformatie kunt krijgen over de lokale cultuur en ook over bijvoorbeeld de woningen waarin de Kenianen leven. De tentoongestelde kunst geeft inzicht in de leefgewoonten van de verschillende volkeren. Een goed overzicht biedt de Bomas of Kenya, waar dagelijks verschillende dansen worden uitgevoerd. Daar kun je ook een aantal voorbeelden van woning- c.q. huttenbouw bekijken. De Bomas of Kenya ligt vlakbij het Nairobi Nationaal Park.

Klimaat:

Naar boven

Door het grote hoogteverschil en de ligging aan zee kent Kenia grote verschillen in temperatuur en neerslag. De kuststreek is heet en vochtig. In de hogere delen is de temperatuur meer gematigd (Nairobi, op 1660 m hoogte, gemiddeld van 14 tot 25 °C). Er zijn twee regenseizoenen. Meer naar het westen, bij het Victoriameer, heerst een tropisch klimaat met gemiddelde temperaturen van 18 tot 30 °C; hier vallen zware tropische regens en komt ook vorst voor. Alleen in het noorden is het klimaat heet en droog, met zeer geringe neerslag. Hoewel Kenia een tropisch klimaat heeft, zijn grote delen van het land vrij droog. In het noorden valt gemiddeld per jaar 400 mm regen, veel te weinig voor plantengroei in dit hete klimaat. Daar vind je dan ook steppen en (half)woestijnen. Terwijl er veel regen valt in het hooggebergte aan weerszijden van de Rift Valley, is de vallei zelf relatief droog.

In het zuidelijke deel, bij de grens met Tanzania, bestaat het landschap uit savannes. Daar vind je de grootste wildparken, zoals de Masaï Mara. In de kuststreek valt veel regen, vooral in de maanden maart t/m mei. Dat worden de lange regens genoemd. Korte regens vallen van oktober tot december.

De beste tijd om te reizen is in januari en februari, omdat het dan nog niet zo extreem heet en droog is. Van juni tot september is het ook prima om een reis door Kenia te maken. De meeste regen valt in maart, april en mei en in mindere mate in oktober tot december. Die laatste periode kenmerkt zich vooral door de korte en hevige regenbuien overdag, waarna het de rest van de dag weer droog is. Voordeel is wel dat het in deze perioden overal wat rustiger is en dat de prijzen zakken. Aan de kust is de vochtigheidsgraad wat hoger dan in het binnenland, in januari en februari kan dat oplopen toch 70%, wat niet echt comfortabel is. In de wat hoger gelegen gebieden is het aan te raden om ook wat warmere kleding mee te nemen, voor de vroege ochtend en de late avond. In deze gebieden kan er een groot verschil in temperatuur optreden tussen de dag- en nachttemperatuur.

Natuur:

Naar boven

Kenia is algemeen bekend door zijn zeer rijke natuur. De planten- en dierenwereld is zeer divers, mede mogelijk door de grote diversiteit in landschappen.

De plantengroei bestaat langs de kust en rond de riviermondingen uit kokospalmen, mangrovebossen en tropische wouden. Het is een vruchtbare streek waar mango's, citroenen, sinaasappels en vele tropische bloemen groeien. Achter de kustlijn verandert het groen in een savannelandschap met doornstruiken, schermacacia's en baobabs of apenbroodbomen. Deze begroeiing komt voor in het oostelijke en noordelijke deel van Kenia. Op het plateau vindt men hooglandbossen die, afhankelijk van hoogte en klimaat, variëren van het zeer zware hout van de wilde olijf tot het zeer lichte hout van Gyrocarpus jacquinii. Veel bergbossen hebben ook een bamboegordel. Prachtige wouden vindt men op de vulkaanhellingen (tot 3300 m); aan de voet hiervan groeien veel schermacacia's. De noordelijke helft van het land wordt ingenomen door doornbossteppe.

Van de dierenwereld is vooral die van de steppen en (half)woestijnen bekend: olifanten, de zwarte of puntlipneushoorns, de witte of breedlipneushoorn, zebra's, giraffen, antilopen, struisvogels, buffels en de grote predatoren als leeuw, panter, luipaard, cheeta of jachtluipaard en gevlekte hyena. Verder is er een rijke vogelwereld (meer dan duizend soorten vogels), vooral roofvogels, wevervogels en honingzuigers. Verder komen er grote hoeveelheden ooievaars, gieren, pelikanen, reigers, ibissen, neushoornvogels en aalscholvers voor. Flamingo's leven in grote groepen bij de meren van de Rift Valley. In de rivieren is het nijlpaard vaak nog zeer rijkelijk aanwezig, de nijlkrokodil heeft, omwille van de huid, van vervolging te lijden gehad maar is ook nog behoorlijk talrijk. Reptielen zijn eveneens goed vertegenwoordigd; giftige slangen zoals de cobra, de mamba en de pofadder leven in de graslanden en langs rivieren. Ook de python, een wurgslang, leeft daar. Verder zijn reuzenslakken zeer opvallend.

Al in de koloniale tijd is een begin gemaakt met de natuurbescherming en dankzij het toerisme werd deze na de onafhankelijkheid voortgezet. Kenia kent vele, merendeels wereldberoemde, nationale parken en natuurreservaten. Door stroperij wordt echter een aantal diersoorten zeer ernstig bedreigd: de olifant, de puntlipneushoorn en in mindere mate ook de Grévy zebra, het Hunter's hartenbeest en de jachtluipaard. In 1989 riep de regering op tot een internationale ban op de handel in ivoor, die de Afrikaanse olifant met uitroeiing bedreigt. Kaalslag van bossen en aantasting van de natuurlijke omgeving door een steeds verdere verstedelijking en vormt een misschien nog wel veel grotere bedreiging. De mate waarin het wild te zien zal zijn, houdt sterk verband met voedsel en watervoorziening en dichtheid van begroeiing. Grote en kleine migraties zijn eigenlijk overal in Afrika.

Wil je op de hoogte worden gebracht wanneer ik een nieuw reisverslag publiceer klik dan hier.